Vooruitgang in het dierenwelzijn?
Een sociologische schets van interacties uit de laatste drie decennia
Prof. Dr Frank Ödberg, vakgroep Dierenvoeding, Dierlijke Genetica, Veeuitbating en Ethologie van de Faculteit Diergeneeskunde aan de Gentse Universiteit had de eer om op woensdag 1 december 99 de eerste spreker te zijn in de tweede cyclus van de Leerstoel ‘Dierenwelzijn & dierenrechten’ aan de Antwerpse Universiteit.
Op een boeiende wijze beschreef Prof. Ödberg de interacties tussen factoren uit de maatschappij die een invloed gehad hebben op de vooruitgang in dierenwelzijn. Hierbij vindt u enkele losse punten die tijdens de voordracht naar voren werden gebracht:
- Dr. Ödberg wees tijdens zijn voordracht geregeld op verschil tussen een ‘theorie’ en een ‘ideologie’ in de discussie rond dierenwelzijn en dierenrechten. Bij een ‘theorie’ zijn er minder emotionele connecties en is men sneller bereid zijn standpunt te herzien. Bij een ‘ideologie’ is er een zekere emotionele connotatie wat kan leiden tot ideologisme. Dit houdt dan ook in een zekere vorm van verbaal en/of fysiek geweld. Bij ideologisme is men zo zeker van zijn gelijk dan men zich niet meer kan inbeelden dat anderen anders denken. In plaats van te discuteren wordt men agressief .
- Prof. Ödberg stelt ook dat om iets zinnigs te kunnen zeggen op ethisch vlak je moet kunnen vertrekken van de realiteit, van feiten, anders praat men in het ijle.
- Prof. Ödberg wees ook op het gevaar van het antropomorfistisch (denken dat dieren de zelfde verlangens hebben als een mens) reageren. Een goede kennis van de noden van een dier is nodig om de goede besluiten te trekken. Als voorbeeld werd gegeven dat vele mensen vinden dat paarden in de winter niet buiten zouden mogen staan. Wanneer paarden echter op een correcte wijze buiten worden gehouden in de winter dan is dit voor hun gezondheid beter dan dat ze binnen op stal staan. Als tweede voorbeeld werd de kooigrootte van proefdieren gegeven. Uit onderzoek blijkt dat niet de grootte van de kooi maar hoe de dieren zich kunnen bezig houden van belang is. Tot nu toe zijn vele normen met de natte vinger genomen en steunen die niet op wetenschappelijke gegevens. Men moet eerst bepalen wat het dier nodig heeft en dan de normen bepalen. Daarbij is de natuur niet altijd het goede voorbeeld want de natuur kan wreed zijn en hanteert geen menselijke normen. Wel kan de natuur een goede basis vormen. Via onderzoek moet je nagaan welk gedrag men uitlokt bij een verandering in de kooi-omstandigheden en of deze veranderingen wel een verbetering zijn. Dit mag je niet door een ideologische bril bekijken, je moet gewoon objectief zien wat het bereikte resultaat is.
- Prof. Ödberg stelde ook dat mensen best leren doordenken. Als voorbeeld gaf hij het houden van dieren voor bont. Als je stelt dat je er tegen bent omdat het luxe is moet je ook durven doordenken en de vraag stellen of je dan wel een hond mag houden. Want honden houden is een luxe (behalve voor eenzame mensen) voor een persoonlijke interactie die echter in vele gevallen bij de hond met pathologische gedragingen gepaard gaat. Je moet leren doordenken als je iets zegt en de visie van anderen kunnen aanvaarden.
- Een ander mooi voorbeeld van het gevaar van antropomorfisme is de situatie van het slachten van dieren. Je kan de vraag stellen of het voor de dieren niet beter is dat ze niet zien dat hun soortgenoot geslacht wordt. Uit analyse blijkt dat bij varkens en schapen er niets op wijst dat het voor het welzijn van de dieren beter zou zijn van ze individueel te slachten. Het isoleren van de dieren uit een groep voor het slachten blijkt veel stresserender te zijn. Deze dieren hebben geen notie van de dood en reageren niet op een dode soortgenoot. Varkens geraken wel in stress wanneer bijvoorbeeld een varken slecht wordt geëlektrocuteerd en begint te krijsen. Dit krijsen vormt voor de andere varkens een alarm-teken waarop ze massaal in stress gaan . We mogen dus ons eigen niet projecteren in dieren (antropomorfisme) en daaruit gaan afleiden wat voor dieren het beste is. Voor varkens en schapen is het beter van ze in groep te slachten en niet afzonderlijk, hoe eigenaardig dit uit menselijk standpunt ook kan zijn. Tevens merkte Prof. Ödberg op dat we bevindingen van één soort niet zo maar mogen veralgemenen.
- Ook is gevaarlijk van enkel conclusies te trekken uit zichtbare tekenen van stress. Als voorbeeld werd een proef met twee soorten kippen genomen. De witte kippen reageren veel feller op een stresssituatie dan de bruine kippen maar uit bloedanalyses bleek dat het plateau van het stressniveau veel langer hoog bleef bij de bruine kippen dan de witte. Hoewel de witte dus blijkbaar het meest stressgevoelig zijn volgens visuele analyse, blijkt uit bloedanalyse dat het net andersom is.
- Hoe kan je weten hoe belangrijk iets is voor een dier ? Je kan een dier laten werken om iets te bekomen. Zo kan je leren aan een varken dat als ze met haar snuit tegen een knop moet duwen om stroo te verkrijgen. Twee dagen voor het bevallen komt het nestbouwgedrag naar boven. Hoe belangrijk is dit ? Je kan de mate van inspanning die een dier moet leveren verhogen. Stopt het dier na vijf pogingen van op de knop te duwen of is het dier bereid om telkens dertig keer te duwen om wat stroo te bemachtigen om een nest te bouwen? Via dergelijke proeven kan je een volgorde van motivatie bepalen en bepalen welke gedragingen belangrijk en minder belangrijk zijn voor een dier. Ook kan je nagaan welk materiaal ze liefst hebben om een nest te bouwen. Via dergelijke proeven weet men dat een nest bouwen voor het welzijn van de zeug zeer belangrijk is.
- Prof. Ödberg stelde ook dat het idee dat een dier alle gedragingen van de natuur moet kunnen vertonen voor zijn welzijn niet correct is
- Men moet ook een onderscheid maken tussen een gedrag dat uitgelokt wordt door een prikkel uit de omgeving en een gedrag dat uit welzijnsoverwegingen gevormd wordt. Hier werd het voorbeeld van een zandbad bij kippen genomen. Is het feit dat de kip zand ziet dat ze een zandbad neemt (= prikkels uit de omgeving) of is het uit een welzijnsbehoefte dat ze dit doet? Dit kan men volgens Prof. Ödberg afleiden met een analyse van het gedrag van de kippen. Men heeft de kippen gedurende een bepaalde periode de mogelijkheid van een zandbad te nemen en noteert het aantal keren dat ze dit doen. Vervolgens ontneemt men hen die mogelijkheid. Daarna heeft men hen opnieuw die mogelijkheid en men noteert opnieuw het aantal keren dat de dieren een zandbad nemen. Men analyseert de frequentie in de periode na de onthouding. Indien er een verhoogde frequentie is van het aantal zandbaden en die periode overeenstemt met de periode dat ze dit niet konden doen, en wanneer die frequentie dan terug valt op de zelfde frequentie als voorheen dan spreekt men van een compensatoir gedrag. Daaruit kan men afleiden dat het niet de aanwezigheid van zand is die de prikkel vormt tot dit gedrag maar de welzijnsbehoefte van het dier.
- Stereotiep gedrag zijn gedragingen die altijd op de zelfde manier gebeuren en schijnbaar geen functie hebben (vb het ijsberen en het luchtzuigen bij paarden ) Dit wijst niet op een storing in het welzijn van dieren. Het wijst erop dat het dier ooit in een stresssituatie heeft gezeten waarin het dit gedrag heeft ontwikkeld . Dit gedrag kan na verloop van tijd een gewoonte geworden zijn dat blijft bestaan, ook als de stressfactor is weggenomen. De vraag is ook hoe lang een stereotiep gedrag moet gebeuren vooraleer er sprake is van een pathologisch gedrag. Wanneer je de leiband van je hond uithaalt en de hond dan altijd als zot in kringetjes begint te draaien dan is er ook sprake van stereotiep gedrag maar zeker geen sprake van storing in het welzijn. Bovendien blijkt dat sommige stereotype gedragingen een anti-stressfunctie hebben.
- Prof. Ödberg eindigde met enkele bedenkingen rond drukkingsgroepen. Hij vindt dat deze een positieve rol hebben maar wijst erop dat zij die systematisch agressief actie voeren anti-productief zijn het voor de vooruitgang in het dierenwelzijn. Ook wees hij op de betekenis van woorden in een debat rond dierenwelzijn: ‘Voor wij discuteren, laten we eerst eens zeggen wat we bedoelen met de woorden die we gebruiken.’. Prof. Ödberg vindt iedere positie in het debat rond dierenrechten respectabel zolang je je kan verzoenen met de andere. De gevaarlijkste mensen, stelt hij, zijn zij die 100% zeker zijn van hun gelijk. Als je in je achterhoofd houdt dat je zou kunnen verkeerd zijn dan doe je minder domme dingen. Volgens Ödberg misbruiken sommige mensen in onze maatschappij het element dierenbescherming om hun agressie te uiten tegen de maatschappij. Ook stelde hij dat de liefde voor de dieren soms de haat voor de mensen kan verbergen en het afreageren is van eigen psychologische problemen. (sic!)


