Natuurlijk gedrag en welzijn: een dilemma voor dierentuinen
Is er een objectieve definitie van welzijn mogelijk? Welke factoren beïnvloeden het welzijn in positieve en negatieve zin? Kunnen we op basis van onze inzichten het welzijn van dierentuindieren optimaliseren? We nemen gemakkelijk aan dat het kunnen uitvoeren van natuurlijke gedragspatronen en het bevredigen van natuurlijke behoeftes grondvoorwaarden voor het welzijn zijn. De vraag dringt zich op of voor de bevordering van natuurlijke gedragspatronen in dierentuinen ook werkelijk bijdraagt tot verlaging van ‘onwelzijn’ en verhoging van welzijn.
Dit waren de onderwerpen van de derde lezing van de leerstoel ‘Dierenwelzijn & Dierenrechten’ aan de Universiteit van Antwerpen op 24 maart jongstleden door Prof. Dr Jan Van Hooff, Dept. Comparatieve Physiology, Ethology and Sociology Group van de Universiteit van Utrecht. Zoals bij de twee vorige voordrachten beperken we ons tot het vermelden van enkele punten en uiteenzettingen die aan bod zijn gekomen.
- Prof Van Hooff legde vooreerst sterk de nadruk op het feit dat het begrip ‘welzijn van dieren’ een zeer wazig begrip is. Voor velen wil dit zeggen dat het dier ‘in harmonie’ leeft met zijn omgeving. En staat dat ook voor synoniem met ‘natuurlijk’ ?
- Prof. Van Hooff stelt dat om een inzicht te hebben in het welzijn van dieren we de gedragfuncties moeten kennen van dieren. Deze bestaan, aldus de professor uit twee groepen. De eerste groep zijn de spontane functies zoals bvb eten of voor een vogel het fluiten. Dit zijn functies met een lage prioriteit die gemakkelijk kunnen onderbroken worden. De stimuluswaarde van externe stimuli wordt intern bij het dier gereguleerd. Het dier heeft honger en wil eten. Dat eten moet nu niet onmiddellijk gebeuren, maar mag ook binnen 10 minuten gebeuren. Naarmate het langer duurt dat het dier kan eten, zal ook de stress en onwelzijn bij het dier stijgen. Dit soort functies is gevoelig voor onderstimulatie. Onderstimulatie zijn situaties waarin het dier niet zijn natuurlijke gang kan gaan. De tweede groep gedragfuncties zijn de reactieve functies. Dit zijn functies met een hoge prioriteit zoals bvb vluchten voor een vijand. Wanneer een havik boven een mees vliegt dan zal die mees niet denken ‘ik zal nu niet vluchten maar binnen 5 minuten’. Nee, deze stimulus heeft voorrang: er wordt onmiddellijk op gereageerd. Deze externe stimuli zijn altijd werkzaam. Dit soort functie is gevoelig voor overstimulatie.
- Stress en onwelzijn ontstaat, aldus prof Van Hooff, wanneer de onmogelijkheid bestaat om deze behoeften te vervullen. Bij de tweede groep van functies, de reactieve functies, is de stress altijd afkomstig van buitenaf.
- Een dier dat zijn omstandigheden beheerst zal daardoor een zekere vrijheid hebben. Als voorbeeld werd de proef aangehaald van drie ratten die elk met hun staart aan een elektrisch contact zijn verbonden. Bij rat nr 1 ging vijf seconden voor dat er een stroomstoot door de staart werd gestuurd telkens een lampje branden. Bij rat twee was er geen lamp en wist de rat niet wanneer het zo een onaangename prikkel zou krijgen. Rat nr 3 was als controle en kreeg geen stroomprikkel toegediend. Bij het nazien van de maag en ingewanden op stressletsels bleek dat rat nr 2 merkelijk veel meer last had van stress dan rat nr 1. Het niveau van stressletsels bij rat nr 1 was zelfs niet merkbaar verschillend als van die van de controle rat. Door het feit dat het dier wist wat er zou komen kon het zich voorbereiden en leed het daarom veel minder aan stress dan de rat nr 2 die onvoorbereid evenveel prikkels kreeg toegediend.
- Een vreemde opmerking van de Prof. was dat dieren met een stereotiep gedrag (vb een ijsbeer die in een zoo continu in rondjes loopt) een hoger welzijn hebben dan dieren die dit stereotiepe gedrag niet vertonen. Dieren met stereotiep gedrag blijken vaak veel minder ingewandsaandoeningen te hebben dan dieren die dit ‘afwijkend’ gedrag niet vertonen. Dit gedrag is voor het dier een soort verdedigingssysteem om zich tegen stress te verdedigen. Als je en dier wil verhinderen om zijn stereotiep gedrag te doen dan ga je juist stress introduceren en zijn welzijn verlagen.
- De uitkomst van wetenschappelijk onderzoek is soms volledig anders dan wat we intuïtief denken. Zo dacht men de agressiviteit bij twee vrouwelijke makaken (apen) te kunnen verminderen door de grote ruime kooi waarin ze verbleven te splitsen in twee ruimtes zodat ze elk hun eigen gebied zouden hebben. Bleek echter dat de agressiviteit nog steeg. Waarom ? Door de ruimte te splitsen in twee ruimtes viel het overzicht voor de dieren weg waardoor meer stress en dus meer agressie ontstond. Stress en de daarmee gepaard gaande agressie is lager wanneer dieren alles beter onder controle hebben en hier werd door het opsplitsen van de grote ruimte in twee kleinere ruimtes het overzicht weggenomen wat resulteerde in minder controle over de situatie en dus meer stress en agressie. We moeten dus voorzichtig zijn met ons intuïtief denken en ons in de plaats van dieren te stellen.
- De doelstelling van de dierentuinen zo volgens Prof. Van Hooff zijn het behouden van het natuurlijke gedrag van de dieren. Wat dan met het natuurlijk gedrag van chimpansees in een zoo? Zo blijkt dat infanticidale mannen (= dieren die jongen doden) een natuurlijk gedrag is bij chimpansees en niet te wijten is aan het feit dat dieren in een zoo worden gehouden. In het wild leven chimpansees in groepen. Er zijn twee soorten groepen. Groepen bestaande uit een mannetje met een groep wijfjes en groepen vrijgezellen-mannetjes. Wanneer zo een vrijgezellenman het mannetje van de haremgroep wegjaagt en zijn plaats inneemt dan gebeurt het soms dat dit mannetje de zogende jongen van de wijfjes doodt. Waarom ? Dit gedrag heeft hem meer kans op eigen nakomelingen. De wijfjes die hun jong kwijt zijn komen sneller terug in oestrus (=vruchtbaar) dan wanneer ze hun jong verder zogen. Een infanticide man zal dus meer kans hebben veel nakomelingen te hebben dan een ‘normale’ man die gedurende een zelfde periode baas is in zo een harem. Wat moet men nu doen in een zoo ? Moet men dit ‘natuurlijk’ gedrag laten of moet men dergelijke mannetjes uit de groep verwijderen ? Een ding staat vast, dat is dat dit moorddadig gedrag bij sommige van deze mannetjes een natuurlijk gedrag is.


