HOE GEBEURT DE FOIE GRAS PRODUCTIE?

 

De eenden of ganzen worden buiten gekweekt en brengen dus het grootste deel van hun leven in de open ruimte door. Enkel tijdens de periode van de gavage worden ze in kooien of in kleine stallen opgesloten.
De gavage van de zwemvogels gans en eend is, zoals andere teeltechnieken, een gecontroleerd inspelen op specifieke fysische eigenschappen van deze dieren. Zij leggen een energetische reserve aan door vetopstapeling in alle delen van het lichaam en vooral in de lever. Lijden veroorzaakt bij ieder dier een verstoring in zijn biologisch mechanisme en die manifesteert zich vooral in een verlaagde vetproduktie. Het is dus van het grootste belang dat de gavagetechniek geen ’slechte behandeling’ is die het fysiologische evenwicht van de dieren verstoort. Iedere kweker kent dit basisprincipe, ongeacht de diersoort waarmee hij werkt.
De klassieke methode van ‘gaveren’ is vierduizend jaar oud en wordt tot op heden nagenoeg ongewijzigd toegepast in vooral kleinschalige kwekerijen. Voorgekweekte maïs wordt via een buis van ongeveer 2,5 cm diameter in de krop van het dier gebracht. De lengte van de buis is ongeveer 30 cm voor eenden en 40 cm voor ganzen. Dit is bij benadering de afstand tussen de top van de snavel van het dier en de ingang van de krop (niet de maag!). Door deze afstand te overbruggen met een buis kan men voederen zonder de keel of de slokdarm te beschadigen.
De moderne gavage met maïsmeel is een variante op de klassieke methode die wordt toegepast op grote bedrijven. Een korte buis van ongeveer 10 à 12 cm wordt tot in de slokdarm gebracht. Met een pneumatische pomp wordt een vooraf bepaalde hoeveelheid maïsmeel ingebracht. De pap loopt dan door de slokdarm en vult de krop. Het invoeren van een buis in de keel en in de slokdarm vormt voor een zwemvogel geen probleem. De anatomische structuur van zijn keel en slokdarm maakt dat hij probleemloos verhoudingsgewijze grote prooien kan doorslikken en dus ook een buis van 2,5 cm dikte.
De gavage is een eeuwenoude techniek. De personen die ze uitvoeren hebben een kunde ontwikkeld die hen in staat stelt een programma van gecontroleerde overvoeding uit te voeren die de essentiële fysiologische functies niet aantast. Het bewijs is dat de dieren deze overvoeding verwerken zonder het vertonen van afwijkend gedrag, zonder spijsverteringsstoornissen en vooral zonder ziekteverschijnselen in de lever. Dit wordt overduidelijk aangetoond door het feit dat de lever weer naar zijn oorspronkelijke staat evolueert zodra de gavage wordt stopgezet. Dit zou niet het geval zijn indien het een leverdegeneratie betrof in plaats van een vetaanzetting.
Men kan dus in geen geval stellen dat de gavage – zoals sommigen wellicht door een gebrek aan informatie beweren – een vorm van ‘dierenmishandeling’ is.

Tags:

Comments are closed.